[+/-] |
Mei 2009 in Intensief Magazine |
Knowing life by knowing death
Ambrogio Dionigi
Buitenlandse student over het leven in Nederland
Klikspaan, boterspaan...
Bernhard Brugman
Meld misdaag anoniem! Een vloek voor de maatschappij
Nieuw nieuws
Bart Postma
De veranderende rol van nieuwsmedia anno 2009
Vertrouwen op God, niet in hem geloven
Jonatan Barling & Dietha Koster
Hoogleraar Geurt Henk van Kooten over vertrouwen op God
Bedankt, intellectuele tijger!
Tiemo Meijlink
Een brief áán de apostel Paulus
Het leven is niet vanzelfsprekend
Lutske Folkerts
Een gesprek met mevr. Wouda (1927)
Een God met pijn
Judith van der Wel
Over een Perzisch liefdesgedicht
Feelgood en melancholie
Jonatan Bartling
Mammoth: Een meeslepende film over ouderschap en geluk
Een draak van een kreeft
Lutske Folkerts
“Met een puik idee en pakkend plot ben je er nog niet!”
Wees tevreden
Bernhard Brugman
Als alles overnieuw mocht, wat zou je anders doen?
Zowaar een hippe tegel!
Tim Kersjes
Sartre had beter een tegel kunnen bakken
Uitgediept
Anne Folkertsma
Studentenbestuurslid over postiviteit en rituelen
[+/-] |
Een draak van een kreeft |
Lezen | Lutske Folkerts
Het diner van Herman Koch (1953) is een uitstekende illustratie van de idee dat de gevestigde literaire kritiek zijn oordelen soms lijkt te baseren op andere factoren dan voor een boek van belang zijn. Sinds hij deel uitmaakte van het komische trio dat Jiskefet vormde, gaat Koch door voor BN’er. Zijn meest verse roman is, algemeen beschouwd, lovend ontvangen. De vraag rijst of recensenten schrijven wat hun publiek wil lezen. En zo nee: of lezers tegenwoordig niet veel te snel tevreden zijn.
Eén ding moet je Herman Koch meegeven: met Het diner snijdt hij een actueel, origineel en gewaagd onderwerp aan. In zes delen (aperitief, voorgerecht, hoofdgerecht, nagerecht, digestief en fooi – waarbij je vraagtekens kunt plaatsen bij de aanname dat het al dan niet geven van fooi deel uitmaakt van een maaltijd) die zijn opgedeeld in hapklare hoofdstukken, wordt de aanloop naar, en de voltrekking en consequenties van een diner beschreven. Aan het diner nemen twee ouderparen deel; het eerste wordt steevast als nep, glad en onbetrouwbaar neergezet, het andere als liefhebbend, harmonieus en o zo gelukkig. De mannelijke helft van dit koppel is de verteller. In deze karige karakterschets schuilt een aanzienlijk punt van kritiek. Er wordt een ongenuanceerd beeld van de ‘goeie’ versus de ‘slechte’ ouder neergezet. Terwijl het kroost van beider volwassenen een afgrijselijke wandaad heeft begaan. Tenenkrommend is het dan ook wanneer halverwege het boek een vage, medische (erfelijke?) oorzaak voor de agressiviteit van de ‘lieve papa’ wordt aangewezen. Dit is niet dapper noch goed bedacht, het is niet meer dan het vermijden een positie in te moeten nemen. Hoe het ook zij: doorgeslagen jeugdigen die eigen rechter spelen, zijn sinds de diverse high school shootings een thema dat zich leent voor literatuur. En Koch is een van de eersten die dit bedacht heeft.
Helaas houdt de lofzang hier al op. Met een puik idee en pakkend plot ben je er namelijk niet. Waar andere recensenten enthousiast spreken over ‘treffende observaties’, vallen mij vooral de slechte en misplaatste metaforen op. Daarnaast zijn de verwijzingen naar eerder gedane observaties te talrijk, te vlug en te weinig subtiel. Wat te denken van de zogenaamde ‘tussen neus en lippen door – opmerking’ dat een personage nooit drinkt, om een pagina later te vermelden dat er drank in het spel was bij een gebeurtenis waar hetzelfde personage bij betrokken was. Of van het opmerken van een mobiele telefoon die ‘per ongeluk’ is blijven liggen, om hem 300 woorden verder over te laten gaan. Het is te rauw, te gekunsteld, net als de gerechten die ze geserveerd krijgen.Verder is er het een en ander op te merken over de vloeiendheid van de zinnen: “Overal lag speelgoed, slingerde er speelgoed door de hele kamer, zou je misschien beter kunnen zeggen, er was bijna geen plek meer over om je voeten neer te zetten.” Niet alleen lopen de zinnen krakkemikkig, wat ze vertellen is tegenstrijdig, weinig literair en veelal overbodig: “Is het nog nodig om de lichamelijke verschijnselen te beschrijven die mijn ontdekking vergezelden? Het dunkt mij dat ze voor zichzelf spreken. Het bonzende hart, de droge lippen en tong, de ijspegel binnen in het hoofd, aan de achterzijde, de punt stak in de laatste halswervel, in de holle ruimte zonder bot of kraakbeen waar de schedel begint, op het moment dat ik het laatste beeld van de bewakingscamera helemaal stilzette.”
Daarnaast worden er te veel zogenaamd interessante meningen van de hoofdpersoon achter elkaar gepropt. Het blijft eindeloos oppervlakkig: een nutteloze uiteenzetting over kinderen die hun ouders bij de voornaam noemen, over het beroep van rector, over handen van een gerant, ga zo maar door. Ze dienen slechts om sympathie te wekken voor de hoofdpersoon, die tevens verteller is en dus baat heeft bij populariteit. Ze versaaien het boek.
Tot slot kanttekeningen bij de zinnen die speciaal voor de vrouwelijke lezers lijken te zijn toegevoegd: “Waar is mama? ‘Oom’ en ‘tante’ waren kinderachtig en hadden met verjaardagspartijtjes en vragen als ‘Wat wil je later worden?’ te maken. Maar ‘mama’ was mama. Mama zou altijd mama blijven.” Het zijn pogingen tot gevoelig doen, om naast de fans van Jiskefet ook de huismoeders te plezieren. De opvallende, rode kreeft op de cover, mag terug de pan in. De schrijfstijl behoeft nog wat peper en zout.
[+/-] |
Vertrouwen op God, niet in Hem geloven |
Interview | Jonatan Bartling & Dietha Koster
Docent van het jaar 2008, Geurt Henk van Kooten is Hoogleraar Nieuwe Testament & Vroeg Christendom. Volgens Van Kooten gaan wetenschap en geloof prima samen, de wetenschap verrijkt het geloof. Ook vertelt hij wat de kerk beter zou kunnen doen en hoe ze zou kunnen leren van de vroege christenen.
Geurt Henk van Kooten (Delft, 1969) is in 2002 universitair docent aan de Rijksuniversiteit Groningen geworden, sinds 1 januari 2006 is hij hoogleraar. Sinds 2008 bekleedt hij tevens de functie van decaan van de faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap. Begin dit jaar werd hij verkozen tot ‘docent van het jaar’ aan de universiteit. Tevens is hij sinds kort in dienst van de PKN, met een speciale opdracht, die er onder andere uit bestaat dat hij een aantal diensten per jaar doet, die hij in de Martinikerk vervult. De opdracht bestaat echter vooral uit het geven van postacademische bijscholing aan predikanten uit de noordelijke regio. “Predikanten kunnen boeken consumeren, maar ze hebben geen tijd om zelf onderzoek te doen. Het boeit mij ongelofelijk, onderzoek. Voor mij is dit dus de ideale situatie: dat ik beide kan doen.”
“Mijn geloof beïnvloedt niet zozeer mijn wetenschapsbeoefening, mijn wetenschap beïnvloedt wel mijn geloof. Van teksten die ik tegenkom, kan ik denken: dit is geweldig! Dit geeft stof tot nadenken. Als je een overkoepelende waarheidsvraag hebt kan het ook, het zijn geen twee gescheiden werkelijkheden. Omdat ik grote waarde hecht aan het openbaar discours, gaat het richtingsverkeer dus vanuit de wetenschap, dat geeft mij richting in mijn geloof. Van de vruchten van de wetenschap maak ik gebruik in mijn geloof. Als ik de bijbel lees, kan ik niet ophouden met analyseren, dat zit er nu eenmaal in. Maar wie kan een tekst wel lezen zonder te analyseren? Je wordt altijd door je context bepaald. Iemand die geen handvatten heeft om een tekst te benaderen, die denkt dat hij die teksten onbevangen leest. Maar hij wordt wel degelijk bepaald door zijn context, want hij weet niet welke ander mogelijkheden tot lezen er zijn. Een wetenschapper heeft eerder toegang tot wat iets betekent, daarnaast is hij zich bewust van de invloed van zijn achtergrond, dat maakt dat hij boven zijn eigen context uit kan stijgen.”
God en overtuigingskracht
Hoewel God en wetenschap soms lastig verenigbaar lijken, hoeft dit geen volgens Van Kooten geenszins een probleem op te leveren. “Waar je als gelovige door overtuigd wordt, is bijvoorbeeld hoe Paulus het presenteert, dit overtuigt mij ervan dat God zo is. Het is die persoon, Paulus, wiens meningen en bedoelingen je langs historische en contextuele weg kunt reconstrueren. Deze gereconstrueerde bedoeling kan jou overtuigen. Dat is overtuigingskracht: ‘kennelijk kun je zo over God denken.’ Dat is een hele vruchtbare manier. Het is deze zienswijze die voor mij veel verklaart, daarom kan ik in de wereld staan als gelovige. Het is niet zo dat je direct toegang tot God hebt door middel van openbaringen, je hebt dat via reflecties en omschrijvingen van mensen die over God schrijven. Deze kun je wegen, er zit een persoonlijk element in, dat is bij overtuigingskracht natuurlijk überhaupt zo. Jij als subject wordt door iemand overtuigd en dat is door een scala aan dingen. Bijvoorbeeld omdat hij op jou betrouwbaar overkomt, omdat zijn argumenten rationeel deugen, enzovoorts. Zo kan ik dus die bronnen, die gedachten over God, gebruiken om tot God te komen. Om met Augustinus te spreken: “Ik zou niet geloofd hebben, dan via de kerk.” De evangelische beweging denkt dat ze dat zonder tradities en gedachten kunnen, alsof het vanzelfsprekend is dat die bijbel er ligt, dat is het niet. Je moet natuurlijk niet kritiekloos volgen wat de kerk zegt, maar het is de overtuigingkracht die uit gedachten komt, die je ergens van verzekeren.”
“Wat ik dus heel belangrijk vind, is dat mensen cultuur, en dus denkbeelden, dragen. Tradities worden voor gegeven genomen, maar tradities zijn werkelijk afhankelijk van mensen die het traderen. Traditie lijkt ingesleten, een rivier die wel stroomt, maar traditie vraagt om tradenten. Mensen die actief iets mee overleveren. Dat verantwoordelijkheidsgevoel tref ik bij evangelischen niet altijd aan. Wat ik goed aan hen vind, is het kritische en het streven naar de bronnen. Maar hoe ontsluiten ze die? Ik ben een warm voorstander van de bijbel, het is mijn vak. Maar zo eenvoudig is dat niet. En daarvoor heb je dus weer onderzoekstradities nodig, benaderingen, paradigma’s. En dan zit je toch in een wetenschappelijk discours.”
Geloven als wetenschapper
“Overigens houd ik helemaal niet van het woord geloof. Ik vind het een groot probleem: het woord geloven. In de televisieshow Pauw & Witteman vertelde Femke Halsema niet zo lang geleden dat zij niet ‘gelovig’ is. Er is wat mij betreft iets fundamenteels fout aan ons woord geloven. Het staat er helemaal niet in het oorspronkelijke Grieks. Daar gebruikt men het woord vertrouwen, er is een enorm verschil tussen geloof en vertrouwen. In onze cultuur heeft geloven een bepaalde gevoelswaarde gekregen: ‘ik geloof het wel, blind geloof, geloof op grond van openbaring’. Nee, het gaat om overtuigingskracht, bij vertrouwen is er geen spanning tussen kennis en vertrouwen. Waarom vertrouw je immers iemand? Omdat die persoon betrouwbaar is, omdat je kennis van hem hebt. Er is geen hiaat bij vertrouwen, bij geloof is er altijd dat gat: ‘ik weet het niet, maar ik geloof het’. Nee, ik vertrouw op God als schepper, omdat de schoonheid van de wereld mij daarvan overtuigt. Net als de moraal van Christus mij ervan overtuigt dat God in hem zichtbaar wordt. Dat wekt vertrouwen. Iemand die sterft zoals Christus dat deed, dat schept vertouwen in mij. Ik vertrouw op God, maar ik geloof niet in hem.”
”Als wetenschapper kun je geloven - of beter: vertrouwen. Ik vergelijk het met de studie wijsbegeerte, daar behandel je Kant, Hegel, Nietzsche. Het leven van iemand zou dan heel erg arm zijn als je daar slechts een wetenschappelijke opinie over hebt, als je niet zelf tot een wijsgerige stroming behoort, dat vind ik geen teken van objectiviteit. Ik kan niet geloven dat je je persoonlijke oordeel alsmaar kan blijven opschorten. Je moet toch een mening hebben over wat je sympathieke, geloofwaardige filosofen vindt en wat niet. Dit geldt ook voor een gelovige. Ik heb mijn indrukken en hoewel alles voorlopig is, vind ik ze verrijkend. Welke religie vind je interessant? Waar wil je een onderdeel van zijn? Het betekent geenszins dat je je objectiviteit opgeeft. Het gaat om waarheid, waarheid kan meebrengen dat je je verder ontwikkelt. Net als met wetenschappelijke paradigma’s. Die kun je falsificeren, je kunt tot de conclusie komen ‘nee, dit paradigma voldoet niet’, waarna je verder zoekt. Je ontwikkelt je verder. Ik vind het verarmend, als je je persoonlijke keuze maar zou blijven opschorten, tot wanneer dan?”
Secularisering
”Nederland seculariseert. Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau, gaat veertien procent van de bevolking wekelijks naar de kerk. Zie je hoe ze dat op het journaal presenteren? “Nóg veertien procent van Nederland gaat naar de kerk.” Dan extrapoleer je het, je vergelijkt het met verleden. Het was 60 jaar geleden waarschijnlijk zo’n 60 procent. En dan gaat men ervan uit dat de cijfers zich in die daling zullen voortzetten. Maar zou je niet moeten zeggen: “In een samenleving waar mensen zich moeilijk laten organiseren, is veertien procent een behoorlijk groot getal?” Hoe kijk je hier tegen aan? Het is ideologisch gebruik van statistiek. De Rotary clubs hebben het momenteel ook erg moeilijk, omdat mensen zich gewoonweg niet meer laten organiseren. Ik vind het veel interessanter om in sociologisch opzicht de ‘leegloop’ van de kerken in dat kader te plaatsen; in een hap-snap-cultuur waar zelfs de kwaliteitskranten het probleem hebben dat ze geen lezers meer aantrekken. Ik vind het interessant om de dingen in hun context te zien en in proportie.”
”Ik ben geen kerkleider, maar ik denk dat een bepaalde vorm van assertiviteit als kerk misschien heel slim zou zijn. De kerk meldt heel weinig van wat ze presteert. In de christelijke kerk is dat not done, je laat de linkerhand niet weten wat de rechterhand doet. Maar als je bijvoorbeeld kijkt naar patronen van liefdadigheid - daar is onderzoek naar gedaan - blijkt het dat christenen buitenproportioneel geven aan goede, ook niet-christelijke doelen. Dat boeit mij; als dit het geval is, dan moet je dat zeggen. De kerk is veel te bescheiden. Ik vond het ontzettend goed van een pastor van de Ikon die in de Trouw kritiek uitte op de herdenking die onlangs in Apeldoorn werd gehouden. Hij zegt: “Ik heb nog nooit zó ervaren wat het verschil is tussen een kerkdienst en een herdenking.” Want opvallend is, dat bij de herdenking de dader en zijn familie onbenoemd zijn gebleven. Hij is uitgesloten, er staan zes kaarsen. In de kerk zou het naast schuld ook altijd gaan over de verzoening die mogelijk is. De dader wordt nu uit de samenleving gesloten en zijn familie ook, wiens leed mogelijk nog groter is: te leven met de schuld van je kind en tevens zijn dood. Ik denk dat de kerk in dit soort dingen slim zou zijn als ze er wat assertiever mee om zou gaan. Dat bepaalde punten worden benoemd: hier staan wij voor, dit beschouwen wij als onze bijdrage. Dus ik pleit voor een zelfbewuste kerk. De vertaalslag is hierbij erg belangrijk, je moet zien te communiceren, te openbaren dat je aanwezig bent.”
Don Quichot
”Daarnaast vind ik dat het intellectuele discours in de kerk een veel te kleine rol speelt. Ik zou willen pleiten voor een actievere, opiniërende en prikkelende houding. Ik denk dat er binnen de kerk te weinig wijsgerige interesse is. Kijk, wat ontzettend goed ontwikkeld is, is pastorale aandacht voor de mens. Maar wat mij betreft is de wijsgerige verwoording van de christelijke religie met het oog op de moderne cultuur erg onderbelicht. Daar is bijvoorbeeld ook in de predikantenopleiding van de Protestantse Theologische Universiteit heel weinig aandacht voor. Men is bezig met praktische én sterk historische onderwerpen, moderne theologen als Karl Barth. Sterk binnenkerkelijke issues dus. Zo heb ik daar geen colleges gehad over modern atheïsme, of over secularisatie, is dat niet vreemd? De dialoog is zo eigenlijk wat onderontwikkeld geraakt.”
“Eén van de gevolgen daarvan is bijvoorbeeld te zien in dat debacle rondom Klaas Hendrikse. Mensen krijgen de indruk te maken te hebben met een kritisch denker, maar dat is niet het geval. Hij gebruikt argumenten tegen het bestaan van God die zich richten tegen een bepaalde godsvoorstelling. De bronnen die ik ken hebben zelden zo’n voorstelling. Het is een stro-pop maken, om er dan als een Don Quichot tegen ten strijde te trekken. Dat vind ik flauw en kwalijk. Het vroege christendom is veel wijsgeriger dan in zulke discussies naar voren komt. Daar is de kerk dus ook voor een deel zelf schuldig aan door dat deel van hun religie niet naar voren te brengen en de discussie te verbreden. Het is dus een wisselspel tussen beide.”
Christendom in competitie
”In de oudheid is al te zien dat het christendom in competitie gaat met andere visies. Ik ben heel erg geïnteresseerd in comparative religion. Daar zie je, in positieve zin, de competitie tussen gedachten, denkbeelden. Ik denk dat dit steeds meer tot uiting komt in het huidige publieke domein. Zo zien ook de aanhangers van de verlichting zich steeds meer genoodzaakt zich te onderbouwen. Dit moeten zij ook doen. Als ik die teksten lees uit de eerste drie eeuwen na Christus, dan is alles met iedereen in competitie, ook religie en filosofie met elkaar. Ik denk dat als je de vraag probeert te beantwoorden, ‘Wat verklaart het succes van het christendom?’, en je onderzoekt dit grondig, dat je op een formule zou kunnen komen – niet dat ik die weet – waarbij je beter, meer verantwoord de link naar de huidige cultuur kunt leggen. Als je ziet hoe het eerste christendom is geïncultureerd, wat de eigenheid is, wat de dialoog is, dan heb je misschien een bepaalde benadering die ook zou kunnen helpen bij een inauguratie van het Christendom in een nieuwe cultuurfase. Dat is eigenlijk precies waar ik zelf in zit.”
[+/-] |
Maart 2009 |
In de editie Maart 2009 van Intensief Magazine onder meer:
De som van twee delen
Een bespreking van het gedurfde film-tweeluik van Steven Soderbergh over de glorie en ondergang van Che Guevara.
>> meer
[+/-] |
Uitgediept |
Je kent ze wel, maar wie zijn ze eigenlijk? Aan de hand van een persoonlijke vraag, stellen we elke maand een andere GSp’er aan je voor. Dit keer is het de beurt aan Harm Jan Prins (22), hij studeert Natuurkunde en is de nieuwe voor-zitter van het GSp-studentenbestuur. We vroegen hem: Wat doe jij om het leven zin te geven?
(...)
De volledige versie van dit artikel is alleen te lezen in de papieren editie van Intensief Magazine. Abonnee worden?
[+/-] |
Kiezen tussen buren en vrienden |
Kersjes’ Versjes | Tim Kersjes
Welke filosoof gaat er verscholen achter de tegeltjes die bij je oma op de WC hangen? Deze maand blijkt er een onverwacht groot fundamenteel filosofisch debat te passen op 15 bij 15 centimeter, over goede buren en verre vrienden.
Een bekend tegelgezegde luidt: beter een goede buur dan een verre vriend. Het is een wijsheid die in deze tijd van sociale verharding en verhuftering steeds belangrijker wordt. De in de jaren 1960 en 1970 ingezette trend van ontzuiling en individualisering is volgens sommigen nogal doorgeslagen, waardoor mensen hun eigen buren niet eens meer kennen en alleen maar voor eigen geluk gaan. Aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat men veel meer de vrijheid heeft om zijn eigen identiteit vorm te geven, om zijn eigen levensinvulling te kiezen. Dit laatste wordt vooral door de klassiek-liberalen uitgedragen. (Hiermee bedoel ik niet de VVD-liberalen, die op de een of andere manier liberalisme met conservatisme blijven verwarren.) De liberaal stelt het individu voorop die op alle mogelijke manieren de vrijheid moet hebben om zichzelf te ontplooien. De liberaal gelooft namelijk dat iedereen heel goed in staat is om zonder te veel bemoeienis van buitenaf zijn eigen weg te kiezen. De overheid moet er voor zorgen dat dit mogelijk wordt gemaakt, dat het individu er de ruimte voor krijgt. Het is een denkbeeld dat in de twintigste eeuw aanzet is geweest tot allerlei sociale wetgeving. Wat bijvoorbeeld te denken van de leerplicht? Typisch een geval van overheidsinmenging voor het grotere goed van het individu.
(...)
De volledige versie van dit artikel is alleen te lezen in de papieren editie van Intensief Magazine. Abonnee worden?
[+/-] |
De som van twee delen |
Zien | Bieuwe Geertsema
De beeltenis van Ernesto ‘Che’ Guevara prijkt al decennia lang op menig poster en t-shirt als symbool voor revolutie, socialisme of algemene coolness. Steven Soderbergh liet zich insprireren tot de biografie Che over de Argentijn, en over de guerilla.
De naam Steven Soderbergh laat heel verschillende belletjes rinkelen. Bij het grote publiek heeft hij vele miljoenen de bioscoopzalen in getrokken met Out of Sight, Erin Brokovich en Ocean’s Eleven, Twelve en Thirteen. Die kassuccessen gaven hem vervolgens het krediet om meer gedurfde werken als het veelgeprezen Traffic en Solaris te kunnen regisseren. Dat Soderbergh met Che weer een groot risico heeft genomen, is overduidelijk. Ten eerste is Che ten behoeve van de authenticiteit een Spaanstalig project geworden. Bovendien komt hij niet met één, maar direct met twee films die een paar weken na elkaar in première zullen gaan.
Spanning?
Het eerste deel, The Argentine, vertelt het verhaal over de rol die Guevara (Benicio del Toro) speelde bij de succesvolle Cubaanse Revolutie eind jaren ‘50. Dit echter niet in de vorm van een rechttoe recht-aan oorlogsfilm: de beelden van de guerilla-oorlog worden regelmatig onderbroken door een Amerikaans radio-interview en een aantal scènes die vlak na de revolutie plaatsvonden. Zo zien we Guevara het woord nemen tijdens de Algemene Vergadering van de VN en horen we hem in voice-over uitleggen waarom zijn revolutie nodig was en hoe hij hierin zo succesvol kon zijn. Hoewel deze toevoegingen het mogelijk maken het gedachtegoed van Guevara uit te leggen, trekken ze de kijker wel steeds weer uit de spanning van de spectaculaire strijdscènes.
Spanning!
Deel twee, Guerilla, is een andere film. Allereerst maakt Soderbergh een sprong in de tijd. Guevara’s tweejarig verblijf in Afrika wordt overgeslagen en de kijker wordt getuige van zijn poging een revolutie te organiseren in Bolivia. Bovendien kiest Soderbergh ditmaal voor een geheel chronologische vertelling. De dagen zijn letterlijk genummerd en hoewel Guerilla door deze vertelstructuur een wat meer voorgekauwde oorlogsfilm wordt, maakt de toegevoegde waarde aan spanning dit relatieve verlies in originaliteit ruimschoots goed. Ditmaal wordt de kijker wél in het verhaal getrokken en bij het onvermijdbare, fatale einde zelfs ontroerd.
Bron van contrast
Niet alleen qua vertelstructuur maar ook qua cinematografie is de stijlbreuk groot. Het eerste deel grossiert in ‘glijdende’, kleurrijke shots die in hun glamour perfect aansluiten op het victorieuze verhaal van de Cubaanse Revolutie. De guerilla-oorlog in Bolivia was een stuk minder glanzend en wordt dan ook verbeeld in grotendeels uit de hand geschoten, grove en grauwe shots. Enig onderzoek leert waar deze verschillende stijlen uit voort zijn gekomen: Soderbergh gebruikte als bron voor de scripts twee dagboeken van Guevara zelf. Daar waar The Argentine gebaseerd is op een retrospectief en beschouwend werk dat vier jaar na de overwinning in Havana verscheen, is het Bolivian Diary tijdens de oorlog, in de Boliviaanse jungle geschreven en daarom een stuk hectischer van toon. De vakkundigheid waarmee de toon van deze bronnen is vertaald naar het witte doek dwingt dan ook respect af.
Zelf kiezen
Che is helaas als geheel niet groter dan de som van The Argentine en Guerilla. Daar waar het tweeluik aan variatie veel te bieden heeft, mist het de samenhang die een bezoek aan beide delen vanzelfspre-kend zou moeten maken. Een afstandelijke, maar fijn gefilmde historische biopic over de held Guevara? Of toch een rauw maar meeslepend oorlogsdrama waarin de beperkingen van Guevara en zijn gedachtegoed zijn ondergang aftekenen? De kijker mag kiezen. Het tweeluik als geheel is geen must, maar ook zeker niet zonde van het dubbele entreegeld. •
[+/-] |
Jandino Asporaat over mooie leugens en lelijke waarheden |
Zien | Karima el Fillali
Zijn debuutprogramma De Antilliaanse Pot leverde Jandino Asporaat in 2005 de persoonlijkheidsprijs op tijdens het cabaretfestival Camaretten en verscheen op tv en dvd. Nu treedt de 28-jarige Antilliaanse Rotterdammer in heel Nederland op met zijn nieuwe theatervoorstelling Buena Vista.
(...)
En dan was er nog de piano: het instrument dat volgens Youp van ’t Hek geëngageerd cabaret oplevert. Jandino nam plaats achter de vleugel, raakte wat toetsen aan, om na 2 seconden weer op te staan. Hij ging ook niet meer terug. In plaats daarvan pakte hij de microfoon om met een fluwelen stem over een bandrecorder heen te zingen. De charmantheid van ‘ik kan niet pianospelen’ werd ongedaan gemaakt doordat Jandino laat zien dat hij wel degelijk muzikant is. Hij stelt vraagtekens bij de conventies van cabaret maar door daarna alsnog te zingen, doet hij dit niet op een hele radicale manier.
Opvallend sterk was de interactie met het publiek met als hoogtepunt de relatiequiz ‘Alles Kan Kapot’ met de toeschouwers, gepresenteerd door neef Onji: een tepelplukkende selfmade pimp en tevens trotse eigenaar van een rij goud in z’n mond, blingbling op z’n lijf en een naar eigen zeggen onweerstaanbaar charisma. Jandino’s toeschouwers durfde zich te laten zien en dat zorgde niet alleen voor hele grappige maar ook voor ontroerende momenten.
Na de vijf dagen besluiten de exen om het blauwe vrijgezellenbestaan vaarwel te zeggen en om weer bij elkaar te komen. Jandino heeft “liever een mooie leugen dan een lelijke waarheid.” Dit klinkt misschien mooi, maar het laat ook zien hoe de keuze voor comfort daadwerkelijke veran-dering tegengaat. Maar misschien is ook niet iedereen op zoek naar verandering.
(...)
De volledige versie van dit artikel is alleen te lezen in de papieren editie van Intensief Magazine. Abonnee worden?
[+/-] |
Rood als grijstint |
Lezen | Lutske Folkerts
Het lijkt tegenstrijdig: een sprankelend fris boek over de kleur grijs en eenzaamheid. Dat het kan, bewijst Hannah Buenting (1984) in haar Honderd woorden voor grijs. Ze geeft een stem aan de rode jurkjes dragende Teun. Zij leeft met Vos die muren zwart verft. En ze doet grijsaards geloven dat er geitjes zijn met heel korte poten om het groene dal in te kunnen kijken. Teun maakt alleen zijn tot levenskunst.In Honderd woorden voor grijs maken we kennis met Teun. Teun is onbevangen, eigenzinnig en lief, maar ook beschadigd en alleen. Als haar relatie met Vos over is, loopt ze met haar ziel onder de arm door de regen. Een vrouw met bruine krulletjes fluistert haar toe dat je alleen zijn kunt leren. De fascinatie die Teun heeft voor dat ene regeltje komt op de eerste bladzijde wat gekunsteld over, maar zodra je die omslaat en het verhaal begint, ben je dat vergeten. Teun zit in een touringcar op weg naar de bergen en valt met haar rode trui uit de toon tussen de in kaki ge-stoken grijskoppen. Haar missie is begonnen: ze gaat ontdekken hoe ze alleen moet zijn. Hoe haar dat afgaat is te lezen in de hoofdstukken die met ‘schors’ betiteld zijn. Om en om worden deze afgewisseld met hoofdstukken die ‘steen’ heten en waarin het verloop van haar relatie met Vos wordt geschetst. Vos is impulsief, houdt van bier, van zelf doen en zelf maken, maar maakt gaandeweg meer stuk dan hem lief is.
Buenting geeft een verfrissende draai aan het thema ‘alleen zijn’. Ze doet dit in korte, rake zinnen.
(...)
De volledige versie van dit artikel is alleen te lezen in de papieren editie van Intensief Magazine. Abonnee worden?
[+/-] |
Een dichter voor een hummervolk |
Poëzie | Judith van der Wel
Na een felle verkiezingsstrijd werd Ramsey Nasr (Rotterdam, 1974) op
27 januari 2009 verkozen tot de nieuwe Dichter des Vaderlands. Het gedicht waarmee hij de strijd won is haast een pamflet over de Nederlandse identiteit. In een bonte stoet van beelden toont Nasr ‘dit volk dat zijn volk mist’ zijn heden en verleden. “Nederland heeft een dichter nodig”, aldus Nasr.
In enkele jaren is de Nederlandse identiteit een belangrijk, maar gevoelig onderwerp geworden. Balkenendes pleidooi voor een VOC-mentaliteit werd hem zeer kwalijk genomen, evenals het prinses Máxima werd verweten toen zij zei dat ‘de’ Nederlandse identiteit niet bestaat. Op televisie verschijnen programma’s als ‘Ik hou van Holland’, ‘De Bauers’ en de verkiezing van de Grootste Nederlander aller tijden. Nederland is op zoek naar zijn typisch Nederlandse eigenschappen. De Nederlands-Palestijnse dichter en acteur Ramsey Nasr denkt “in alle bescheidenheid” dat hij als nieuwe Dichter des Vaderlands hierbij kan helpen. “Niet voor de antwoorden, maar voor de vragen”.
(...)
De volledige versie van dit artikel is alleen te lezen in de papieren editie van Intensief Magazine. Abonnee worden?
[+/-] |
Blijven geloven in het goede |
Van oudere dagen | Bernhard Brugman
De filosofie van de levenskunst wint aan populariteit. Maar wie weten er nu meer over het leven dan zij die er de meeste ervaring mee hebben? Intensief Magazine zoekt haar wijsheid daarom bij de ware levenskunstenaars: de ouderen van dagen. Deze maand: dhr. Van Rooijen (1927). “Ik ben volmaakt gelukkig.”
(...)
De volledige versie van dit artikel is alleen te lezen in de papieren editie van Intensief Magazine. Abonnee worden?
[+/-] |
‘Waar vandaan?’ als basis voor ‘Waar naar toe?’ |
Pastores | Geert Brusewitz
In deze jaargang van Intensief Magazine zullen de pastores van het GSp elk een van de Tien Geboden bespreken. Welk gebod spreekt hen het meeste aan en waarom? Zegt een gebod mis-schien meer dan op het eerste gezicht lijkt? Deze maand Geert Brusewitz met een beschouwing op het Vijfde Gebod.
Exodus 20 vers 12: Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.
Er is geen gebod dat voor mij zoveel oproept als het gebod vader en moeder te eren, of zoals het anders en moderner gezegd wordt: het woord, de aanwijzing ten leven om ouders te eerbiedigen. Belangrijk is dat godsdienst als geheel, en allerlei andere aanwijzingen vervat in de tien geboden, onderdeel worden van een cultuur en een beschaving, waarin ze hun plek in moraliteit en geweten krijgen, maar dat de verhouding tot degenen die je hebben voortgebracht tot een van de meest basale verhoudingen van het leven zelf behoort. Enerzijds natuurlijk ook verankerd in cultuur en gewoonte, anderzijds zeker een deel van onderbewustzijn, instinct en de biologie van ons mens-zijn.
Naast de morele consensus over een groot gedeelte van de tien geboden als systeem, dat leven mogelijk maakt door het geven van regels voor het menselijk verkeer met god en medemens, tref je rondom dit gebod vaak een grote diversiteit van gevoelens aan: liefde, genegenheid, dankbaarheid en respect, maar ook woede, verdriet over ontstane pijn, zelfs haat komen voor en niet zelden. De een ziet zijn ouders als de positieve basis van zijn mens-zijn, een ander kan daar veel meer moeite mee hebben, tot zelfs een ontkenning van het belang van zijn of haar ouders, omdat de relatie kapot is gemaakt door wat ouders deden! Ook een heel verschillende beleving van de vader of de moeder komt veel voor: de gevoelens kunnen erg uiteengaan.
(...)
De volledige versie van dit artikel is alleen te lezen in de papieren editie van Intensief Magazine. Abonnee worden?
[+/-] |
Leven vanuit het hart |
Interview | Jonatan Bartling & Lutske Folkerts
Ze is bij een groot deel van Nederland bekend als, letterlijk, hét gezicht van de cosmetische chirurgie. Marijke Helwegen over geloven vanuit het hart, vooroordelen en erkenning. “Als ik voor één dag God zou zijn, dan zou ik het niet anders doen.”
“Ik werd, puur zakelijk, gevraagd om de Public Relations te doen voor de cosmetische chirurgie”, vertelt Marijke Helwegen. “Daar werd nogal verbaasd op gereageerd. Dan kun je twee dingen doen. Je kunt zeggen, ‘bekijk het even, ik ga iets anders doen’, maar ik bijt me in iets vast. Ik wist dat als ik dit zou doorzetten er een keer, na zeven magere jaren, succes zou komen. Ik heb geïncasseerd, opgevangen en ben weer doorgegaan. Dat is een karaktereigenschap die helemaal in mij zit.” Helwegen is een selfmade woman. Ze is niet universitair of HBO opgeleid. “Mijn succes, zakelijk maar ook privé, heb ik verdiend op authenticiteit.”
“Ik ben eigenlijk vrij veel met mezelf bezig. Dat wil zeggen: ik wil doelen halen, scoren. Ik ben niet iemand die kindjes ophaalt of naar school brengt. Ik ben niet zo’n dienstverlenend typje. Er zijn mensen die vrijwillig mensen in een rolstoel rondrijden maar dat past niet bij mij. Al is dat ook tijdgebrek. Maar daarnaast past het ook niet bij me. Ik doe goed op een andere manier: ik laat mijn stem horen, zeg dingen. Kijk, als er een bedelaar in het donker langs de weg ligt, denken mensen ‘die man stinkt, heeft maar één been, hij zal wel uit Joegoslavië komen’ en ze lopen voorbij. Ik gooi graag een muntje in de muts of blijf bij hem staan praten en bedank hem voor zijn liedje. Ik heb niets met rangen en standen. Nu wordt het mij ook wel makkelijk gemaakt: van Wiegel tot van Vollenhove, ik word overal uitgenodigd. Ik ben overal, op alle gala’s; ik zit naast de grote namen aan tafel te eten. Maar die positie, die heb ik zelf gecreëerd.” Die afkeer van hiërarchie komt voort uit het ge-loof van Helwegen. “Ik ben zeer christelijk. En een christen, dat vind ik essentieel, moet openstaan voor de normen en waar-den van andere mensen. Je moet als christen niet zo met dat vingertje wijzen. Wat God ons volgens mij wil leren, is dat wij onszelf niet groter moeten maken dan dat wij zijn en dat wij ‘anderen’, die andere normen hebben, niet kleiner moeten maken. God veroordeelt niet de zondaar, God veroordeelt de zonden. Christen ben je als je niet op andere mensen neerkijkt. Christen ben je als je anderen niet veroordeelt; als je niet een vooroordeel hebt over andere mensen. Daarom vind ik het afkeurenswaardig als een christen zegt ‘die meneer is een homo, dus ik keur hem af’ of ‘die vrouw is hoer, daar wil ik niets mee te maken hebben’. Dat is niet zoals God het volgens mij bedoelt. Christen zijn is als je ook die meneer en mevrouw vanuit je hart begroet.”
(...)
De volledige versie van dit artikel is alleen te lezen in de papieren editie van Intensief Magazine. Abonnee worden?
[+/-] |
Op zoek naar charisma |
Impressie | Bart Postma
Elke generatie kent zijn eigen charismatische politieke leiders. Ook buiten de politiek is deze eigenschap te vinden; een ieder van ons kent wel enkele mensen in zijn omgeving die men ‘charismatisch’ acht. Op de vraag wat er nu zo charismatisch aan iemand is, is het antwoord vaak dat degene een positieve instelling heeft en dit uitstraalt naar zijn directe omgeving. Charismatici worden snel aardig gevonden en krijgen vertrouwen: voor hedendaagse politici een cruciale eigenschap. Een korte inleiding in charismatisch gezag.
De beroemde Duitse socioloog Max Weber (1864-1920) zag tijdens zijn leven de mens en de manier waarop hij politiek bedreef steeds rationeler worden. Meer mensen kregen stemrecht, regeringen werden volgens vaststaande wettelijke procedures gekozen en de bureaucratie werd groter en groter. In zijn monumentale en postuum verschenen Wirtschaft und Gesellschaft (1922) beschreef Weber deze ontwikkeling en vroeg hij zich af of er nog wel plaats was voor charismatische leiders.
Dit behoeft enige uitleg.
(...)Zo kwam het dat op 20 januari 2009 Barack Obama
werd geïnaugureerd tot 44e president van Amerika. De charismaticus, met wie het overgrote deel van Amerika pas kennismaakte op de Democratic Conventions van 2004, wist binnen enkele jaren zoveel Amerikaanse harten te overtuigen van zijn kwaliteiten, dat er niet vaak een president zal zijn geweest met wie zoveel Amerikanen zich zo snel verbonden voelden. Ook de rest van de wereld zag deze ontwikkeling en als snel onstonden in televisieland uitdrukkingen als ‘de Obama-factor’ en ‘Hoe Obama ben jíj eigenlijk?’ Waarop sommige politici schaamteloos toegaven dat ze her en der toch wat overeenkomsten zagen. Op zich is dit een hele begrijpelijke reactie van politici binnen het hedendaagse democratisch-politieke stelsel, aangezien de aandacht steeds meer uitgaat naar de persoon en minder naar de politieke partij. Waar 50 jaar geleden de partij(ideologie) centraal stond in verkiezingstijd, is er sindsdien een verregaande politieke personalisering ingetreden. Dit is niet per definitie een slechte aontwikkeling, maar kent wel enkele valkuilen. Mensen stemmen niet meer op ideeën, mensen stemmen op een gezicht, een vlotte stropdas, een vlammende one-liner. Hiermee is het belang van het charismatisch overkomen bij het volk gelijk onderstreept. Politici moeten hun best doen om het vertrouwen van het volk te winnen, om hún stem te vertegenwoordigen. Niet zelden leidt dit tot een soort pseudo-charisma, waarin met behulp van mediamarketing en communicatiespecialisten wordt geprobeerd om een charismatisch leider neer te zetten. Denk aan Rita Verdonk die het “helemaal anders ging doen” door te speechen met achter zich een tribune vol mensen. Waar hebben we dat toch eerder gezien? Deze manier van politiek bedrijven wordt op zijn beurt weer aangewakkerd door een grote groep ‘charisma-hongerige’ mensen die zich niet gehoord of begrepen voelen door Den Haag. Elke politicus die onderbuikgevoelens weet aan te spreken en zichzelf een duidelijke (en controversiële) missie stelt, weet in Nederland niet zelden op korte termijn een groep mensen achter zich te scharen. Zie bijvoorbeeld aan Geert Wilders en zijn missie om Nederland te deïslamiseren. Hoe meer hij belemmerd wordt in het uitvoeren van zijn missie, hoe loyaler zijn aanhang wordt, en hoe feller het debat. Dit geeft aan dat hoewel ‘charisma’ en ‘charismatisch gezag’ bij veel mensen een positieve connotatie heeft, dit niet per definitie het geval hoeft te zijn.
De volledige versie van dit artikel is alleen te lezen in de papieren editie van Intensief Magazine. Abonnee worden?
[+/-] |
Alsof het om de inhoud gaat |
Steen in de Vijver | Tim Kersjes
De televisie speelt een grote rol in de politiek door de manier waarop ze de beeldvorming beïnvloed. Je hoort dan al snel dat de inhoud het eerste slachtoffer van wordt omdat we nou eenmaal nogal visueel ingesteld zijn geworden. Hoe erg is het eigenlijk als het plaatje belangrijker is dan de inhoud? En is dit eigenlijk wel zo?
De impact van de televisie is enorm geweest en heeft onze cultuur ontzettend veranderd. Dit is al te zien aan hoe de meeste huiskamers worden ingericht. Men bekijkt eerst waar de televisie het beste kan staan en de rest wordt daar omheen geplaatst. Televisiekijken is dan ook snel dé nationale bezigheid geworden en ook internationaal (in ieder geval in de westerse wereld) heeft de tv een centrale plek in het leven ingenomen. Dit alles heeft tot gevolg dat we in een beeldcultuur terecht zijn gekomen en dat we veel visueler ingesteld zijn dan ongeveer honderd jaar geleden. Dit heeft allemaal verstrekkende gevolgen. Denk bijvoorbeeld aan de politiek en aan campagne voeren. Vroeger stemde mensen nog gewoon op een partij die bij hun kerk
hoorde, of omdat hun ouders er ook al op stemde. De meeste mensen waren niet zo geschoold en hadden niet de middelen om zich eens flink te verdiepen in de politiek en zo werd er dus veel gestemd uit traditie. Nu de hele wereld de huiskamer binnenkomt, zijn deze zekerheden verdwenen en moeten politici flink aan de bak om het electoraat te overtuigen. Maar hoe doe je dat? Overtuig je ze met een mooi doorwrocht en genuanceerd betoog of met goede one-liners die iedereen kan onthouden? Door de tele-visie ben je ook nog eens door iedereen te zien. Ook dat was vroeger wel anders: hoeveel kiezers in den lande zouden geweten hebben hoe bijvoorbeeld Abraham Kuyper of Hendrik Colijn er eigenlijk uit zagen?
(...)
De volledige versie van dit artikel is alleen te lezen in de papieren editie van Intensief Magazine. Abonnee worden?
[+/-] |
Op jezelf in Rome |
Gevlogen | Maaike Graaff
Even iets heel anders doen, afstuderen, naar het buitenland, of gaan werken – er zijn verschillende mogelijkheden om (tijdelijk) met iets anders bezig te zijn dan studeren. Dat kan een hele omschakeling zijn. In Gevlogen vertellen (oud)studenten hoe zij deze overgang ervaren. Waarom hebben ze voor verandering gekozen, wat vinden ze moeilijk en wat inspireert ze? Deze maand: Maaike Graaff. “Het maakt hier niet uit hoeveel ik weet over Kant of Lévinas, zolang ik maar iets te eten breng.”
Hoewel ik graag studeer en de studie filosofie me goed bevalt, heb ik soms het gevoel dat de dingen waar ik mee bezig ben niet altijd overeenkomen met de dingen die ik belangrijk vind. Studeren is niet de meest praktische bezigheid en filosofie is wat dat betreft misschien ook niet de aangewezen studie. Zodra ik ontdekte dat ik twee maanden vrije ruimte zou hebben in mijn studie, wist ik dan ook al snel dat ik die niet wilde vullen met bijvakken maar dat ik iets praktisch wilde doen. Nu ben ik in Rome waar ik twee maanden vrijwilligerswerk doe voor het daklozenrestaurant van de Sant Egidio gemeenschap.
Voor mij zijn deze twee maanden heel belangrijk, maar het is vaak moeilijk om aan anderen uit te leggen waarom. Sommige van mijn vrienden hebben zich afgevraagd of ik mijn eigen leven wilde ont-vluchten. Zelf ben ik ook altijd sceptisch ten aanzien van mensen die naar het buitenland gaan om ‘zichzelf te vinden’, maar ik ben er ook van overtuigd dat je soms het meeste over jezelf te weten kunt komen wanneer je helemaal op jezelf bent aangewezen. Mijn twee maanden hier maken voor mij dan ook ten volle deel uit van mijn leven in Groningen. Ik zie dit als een test voor mezelf. Hoe zou het zijn om helemaal alleen te zijn in een nieuwe stad? Mijn hele leven heb in Groningen gewoond en ik heb nooit ervaren hoe het is om ergens te zijn waar alles onbekend is. Ik wilde gewoon weten hoe ik daarop zou reageren.
Af en toe is het een heel zware test. Omdat de gemeenschap me geen onderdak kon bieden, huur ik hier gewoon een studentenkamer en kook ik iedere avond voor mijzelf. Bovendien ken ik hier weinig mensen, spreek ik de Italiaanse taal niet goed genoeg en heb ik alleen in de avonden mijn vrijwilligers-werk. Het leven in een grote stad als Rome kan dan ontzettend eenzaam zijn. Daarnaast zijn er culturele verschillen: alles hier lijkt totaal ongeorganiseerd. Niet alleen het verkeer is chaotisch, ook de gemeenschap waar ik werk kon mij niet vertellen wat mijn werkzaamheden zouden zijn totdat ik in Rome was aangekomen. Wanneer je zoals ik gewend bent aan structuur, is de Italiaanse ‘we zien wel’ mentaliteit ontzettend moeilijk te begrijpen.
Maar twee maanden in Rome zijn is geen straf. Deze stad is werkelijk prachtig en ik geniet ontzettend van mijn werk in het daklozenrestaurant. Dat werk is simpel: ik deel eten uit aan de armen. Maar voor de dak-lozen is mijn simpele werk enorm waardevol en dat werkt ontnuchterend: het maakt hier niet uit hoeveel ik weet over Kant of Lévinas, zolang ik maar iets te eten breng. Ik merk dat de daklozen het waarderen als je gewoon even met ze praat en interesse toont in hun (moeilijke) leven. Op een of andere manier lijkt het in zo’n praktische setting gemakkelijker om een betekenisvol leven te leiden.
Toch weet ik niet of ik voor altijd zo zou kunnen of willen leven, met name omdat de Sant Egidio gemeenschap ontzettend religieus is. Maar het mooie aan deze gemeenschap vind ik dat het geen kloostergemeenschap is: de leden wonen in hun eigen huizen, studeren of werken overdag en komen ’s avonds bijeen om de allerarmsten te helpen. Ik vind het inspirerend om te zien hoe deze mensen hun dagelijkse leven weten te combineren met het naleven van hun (religieuze) overtuigingen. Wanneer ik straks terug ben in Groningen hoop ik het stukje betekenis dat ik hier ervaar te kunnen meenemen naar mijn eigen dagelijkse leven.